Waarom ik niet stem

Waarom ik dit jaar niet stem – en een ander jaar ook niet

De overheid voert haar beleid toch door, ongeacht of het grote publiek er mee in stemt, laat staan dat het er toe doet of ik er mee in stem.

Stemmen

Ik vertel mensen zelden dat ik er niet geloof om te stemmen. Deelname aan het politieke proces wordt namelijk algemeen zowel als een voorrecht als absoluut noodzakelijk beschouwd voor de verlichte burger. Een andere keuze maken staat vrijwel gelijk aan ketterij – en ketters hebben het over het algemeen niet gemakkelijk in de samenleving.

De clichés waar ik als niet-kiezer mee geconfronteerd wordt zijn bij iedereen bekend, daarom zijn het immers clichés – Onze voorvaderen hebben voor het stemrecht gestreden! of Immigranten steken er de oceaan voor over! Deze fabels klinken prachtig en ze zijn overtuigend, maar dat maakt nog niet dat ze ook waar zijn.

Ik ben het er niet mee eens dat het jaarlijkse ritueel van het heimelijk rood maken van een vakje maakt dat “je stem gehoord wordt”. Ook denk ik niet dat een jaarlijkse trip naar het stemhokje een criterium is of men mag klagen of niet. Mijn recht op vrije meningsuiting is niet afhankelijk van een ander, hoeveel anderen er ook zijn, of ze op een of andere positie werden verkozen, hoeveel stampij ze ook maken.

Evenmin ben ik het er mee eens dat wat het persoonlijke is ook het politieke is. Ik verwerp volledig het Kantiaanse principe van universalisme dat aan veel van de hedendaagse morele discussies ten grondslag ligt. Het Wat als iedereen zou doen wat jij doet? is geen geschikt middel om een oordeel over het handelen van een ander te vellen.

Ik ben een echte liberaal. Ik kies er voor om in Brooklyn te leven en ik ben er heel bewust dankbaar voor dat mijn vrienden zo divers zijn als maar mogelijk is. Geen van hen denkt net zo als ik, geen van hen gedraagt zich zoals ik en geen van hen heeft dezelfde achtergrond als ik. Ik beleef hier veel plezier aan en ik zou het voor geen goud willen veranderen. Wat ik gelukkig niet eens kan! Ik ben niet egoïstisch genoeg om te denken dat “iedereen wil doen wat ik wil doen”, alsof de mensen om mij heen mijn spiegelbeeld zouden zijn.

Het valt niet te ontkennen dat het in de praktijk niet mogelijk is om de staat te negeren. Ik maak gebruik van wegen die door de staat zijn aangelegd en als ik weiger om belasting te betalen dan heeft dit nare consequenties voor mij. Er is echter letterlijk nergens op aarde een plaats waar ik heen kan gaan zonder dat er een regering is die beweert zeggenschap over mij te hebben. Hoewel democratieën steeds vaker voor komen als regeringsvorm, is het de staat die universeel is. Deze overheden handelen zonder een vorm van publieke instemming en zeker zonder enige instemming van mij.

De staat handelt zonder enige democratische rechtvaardiging. Een mooi voorbeeld vond plaats in de Verenigde Staten tijdens de Democratische Conventie van 2012. De burgemeester van Los Angeles, Antonio Villaraigosa, wilde een wijziging in het partijprogramma doorvoeren om een verwijzing naar God op te nemen en Jeruzalem te erkennen als hoofdstad van Israël. Hij stelde de motie voor aan de conventie en wilde de wijziging per acclamatie goedkeuren. Toen dit mislukte vroeg hij om een herstemming. Daarna probeerde hij het opnieuw. Uiteindelijk deed hij gewoon alsof de aanwezigen unaniem met hem instemden.

George W. Bush deed hetzelfde toen hij wilde dat de Verenigde Naties goedkeuring zouden geven aan de inval in Irak in 2003. Toen hij zag dat hij niet voldoende stemmen zou gaan krijgen baseerde hij zijn invasie in plaats daarvan op eerdere resoluties van de Verenigde Naties.

Een partijprogramma is uiteindelijk maar bijzaak. Maar oorlog – het exclusieve terrein van overheden – is een heel serieuze aangelegenheid. Toch was in beide gevallen de stemming maar een formaliteit; een ex post facto rechtvaardiging om te kunnen doen wat al het voorgenomen plan was.

Ik ben niet iemand die denkt dat hij “het verschil” maakt door eens per jaar zijn stem uit te brengen. Ik ben geboren in de Sovjet Unie en mijn persoonlijke ervaringen brachten me er toe om twee jaar van mijn leven toe te wijden aan het informeren van het publiek over de gruwelen in Noord Korea. Ik ga dus liever zelf aan de slag, in plaats van een afgevaardigde te kiezen die dat in plaats van mij doet.

Bekendheid met de historie van de Sovjet-Unie en Noord-Korea geeft inzicht in de sociale psychologie van de mensheid. Hoe absurd de staatsideologie ook is, er kan altijd een meerderheid onder de bevolking gevonden worden die deze ideeën wil propageren. Mensen zullen met een stalen gezicht stellen dat wanneer er maar één kandidaat is bij de verkiezing van de geliefde leider er sprake is van tirannie – maar dat wanneer er twee kandidaten zijn er dan sprake is van vrijheid. Maakt die tweede keuzemogelijkheid op het stembiljet werkelijk het verschil?

De meeste progressieven weten dat de menselijke natuur overal op aarde hetzelfde is. Toch denken zij dat mensen die eenzijdige en misleiden informatie verspreiden enkel in andere, slechte landen bestaan. Bovendien geloven zij dat dergelijke figuren alleen aan de andere kant van het politieke spectrum te vinden zijn. Immers, de andere kant is de plaats waar de slechte, gestoorde mensen zijn – zij die enkel het slechtste voor iedereen willen.

Ook hoger opgeleiden trappen in zulke valstrikken, zij kunnen het alleen mooier verwoorden. Eerlijk gezegd ben ik verbijsterd dat degenen die op school de slimmeriken waren, zich nu uitleveren aan de winnaars van populariteitswedstrijden. Er is hier sprake van de psychologie van de waakhond: hard blaffen om het systeem te verdedigen en zo het respect en de goedkeuring van zijn meester te verkrijgen.

De meest eenvoudige uitleg die ik heb voor mijn weigering om te stemmen is deze: Ik stem niet om dezelfde reden dat ik ook niet naar de mis ga. Hoe bewonderenswaardig de paus ook mag zijn en ongeacht of we hetzelfde vinden, hij is niet de hoeder over mijn ziel. Net zo min is de president niet de leider van mijn leven. Dit maakt mij niet dom of slecht. Als ik een vertegenwoordiger nodig heb dan huur ik zelf de meest gekwalificeerde persoon in om dit te doen. Aan de andere kant zal ik vriendelijk knikken en glimlachen naar mijn vrienden die naar hun kerk gaan en ik zal ze het allerbeste wensen. Het enige dat ik vraag is om met rust gelaten te worden.

Dit artikel is geschreven door Michael Malice, vertaald door Leonard Marchal en is oorspronkelijk op 14 oktober 2014 verschenen op: http://www.theguardian.com/commentisfree/2014/oct/14/why-i-will-not-vote

Is oorlog om olie noodzakelijk?

Is een oorlog om olie noodzakelijk?

Oorlog om olie(velden)
Olievelden

Veel mensen zijn bang dat een vijandige buitenlandse olieproducent in staat is om ons land schade te berokkenen. Daarom moet het westen de toegang tot de oliemarkten veilig stellen en is oorlog noodzakelijk. Een buitenlandse overheid is echter niet in staat om er voor te zorgen dat wij in de rij voor de benzinepomp komen te staan. Alleen onze eigen overheid kan daar door prijsregulatie voor zorgen, zoals in de jaren 70 van de vorige eeuw gebeurd is.

Een vijandige buitenlandse olieproducent kan door de weigering om olie aan ons land te verkopen weinig schade toebrengen, tenzij deze olieproducent bereid is om zijn eigen verkopen als geheel omlaag te brengen. Als een olieproducent de olieverkopen op peil houdt maar de verkoop aan ons omlaag brengt dan start er een stoelendans waarbij er evenveel stoelen als deelnemers zijn. Doordat de vijandige olieproducent de olieverkopen aan ons land omlaag brengt, worden er andere kopers aan andere verkopers gekoppeld. Echter zijn de kosten om van leverancier te wisselen zijn voor ons land verwaarloosbaar.

De enige manier waarop een vijandige olieproducent ons schade toe kan brengen is door de productie te verlagen. Daarmee brengt de olieproducent echter ook zichzelf en alle andere olie importerende landen schade toe. Ironisch genoeg kan een oorlog om olie de olieprijs juist laten oplopen. Daardoor raak dit de bevolking twee keer: als belastingbetaler die de oorlog betaald en als consument door hogere olieprijzen.

Dit is de samenvatting van het artikel “Do We Need to Go to War for Oil?” dat door David R. Henderson geschreven is en eerder gepubliceerd is op http://www.independent.org/pdf/policy_reports/2007-09-01-warforoil.pdf.

De maidentrip van de staat

Dit artikel is op 16 juli 2015 gepubliceerd op LewRockwell.com, geschreven door Paul Green en in het Nederlands vertaald door Leonard Marchal. 

De maidentrip van de staat

Velen schrijven aan de overheid het verheven alleenrecht toe om door anderen genomen besluiten te herroepen en daarmee het autonome gezag van alle individuen en maatschappelijke instellingen te ondergraven. Zij schrijven de overheid het recht toe om nieuwe wetgeving te creëren en te handhaven en zelfs om beslissingen te nemen over leven en dood.

bijbel

Ze geloven dus dat er een Goddelijke macht is die goedkeuring geeft aan zowel gewelddadige acties als aan acties die gesteund worden door de dreiging met geweld. Voor gewone, morele mensen, die onderworpen zijn aan de wetten van God, zouden dergelijke acties onacceptabel zijn. In feite krijgt de overheid een “007” licentie om te doden; een “24/7” licentie om te stelen; en een “666” licentie om allerlei aspecten van het leven in kaart te brengen, te monitoren, te registreren en te reguleren.

Een dergelijke grootse en belangrijke creatie als de overheid – die een overheersende invloed op zoveel terreinen van het dagelijks leven heeft – zal toch zeker op een bepaald moment zijn ingesteld? Vooral onder degenen die stellen in de Bijbel te geloven, kan het nauwelijks bevredigend zijn om als vanzelfsprekend te geloven in het “goddelijk recht van de regeringen”, het is immers een feit dat ook deze regeringen deel uit maken van het leven in een gevallen wereld…

Het zal dan wel geen grote zoektocht zijn om die grote dag terug te vinden, waarop de Hemel het nieuwe en enorme schip ‘De Staat’ te water liet in de oceaan van de mensheid.

Maar waar is dat moment te vinden?

En waarom zijn er talloze boeken en theorieën gebaseerd op de aanname dat deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden, maar zijn er geen over deze feitelijke gebeurtenis zelf?

In feite, ondanks de theologische gymnastiek waar velen met titels achter hun naam goed in zijn; en ondanks het feit dat ze allemaal volhouden dat Romeinen 13, in het bijzonder het eerste vers, verwijst naar een moment waarop de overheid is geschapen of “verordineerd” door God – lijkt er weinig tot geen behoefte te zijn om zich af te vragen wanneer of waar een dergelijke gebeurtenis dan heeft plaats gevonden.

We zullen daarom onze eigen weg banen – door deze vraag te stellen op sleutelmomenten van de Bijbelse geschiedenis van de mensheid.

Heeft God de overheid geschapen? En zo ja, waar gebeurde dit precies en wanneer werd de staat als instituut “verordineerd” door God?

Om het antwoord op deze vraag te vinden, moeten we bij het eerste begin beginnen…

De Schepping

In theorie zou God in de Schepping een groepshiërarchie gecreëerd kunnen hebben met wijze mensen als opzichters en nederige mensen als dienaren. Met elkaar zouden ze een afspiegeling of beeld van God kunnen vormen.

Een vrij mens zonder wijzere opzichter zou door deze groep buitengesloten worden en zou niets kunnen bereiken zonder zichzelf en het geheel schade te berokkenen. Deze vrije persoon zou door de groep als rebel beschouwd worden, bestempeld worden als verkeerd bezig en egoïstisch – iets wat “het geheel” niet zou kunnen tolereren en verdragen.

Als de overheid in het begin werd ingesteld dan is er in elk geval geen vermelding van gedaan in de eerste hoofdstukken van Genesis. Gecentraliseerde groepshiërarchie is een concept dat ons niet is aangedragen door Genesis, maar door het communisme – en in feite, alle vormen van collectivisme of statisme.

Het is niettemin een idee dat de afgelopen tijd naar voren is gekomen onder een dekmantel van het Christendom:

De geschiedenis van het “Messiaanse communisme” wordt behandeld door de belangwekkende econoom Murray Rothbard in zijn twee delige werk, “Een Oostenrijks Perspectief op de Geschiedenis van het Economisch Denken”. Daarin citeert Rothbard een pamflet, in 1534 uitgegeven door de Wederdopers van Munster, Noord-Duitsland:

“We hebben al onze eigendommen in een gemeenschappelijke pot ondergebracht, beheerd door de diakenen, en we leven er van naar behoefte; we prijzen God door Christus met één hart en geest en we staan altijd klaar om elkaar met alles te helpen.

Al wat het doel diende van eigenbelang en privébezit, zoals het kopen en verkopen, werken voor het geld, het vragen van rente en woekerpraktijken … of het eten en drinken van het zweet van de armen … alles wat de liefde ook maar beledigt – al dergelijke dingen worden onder ons opgeheven door de kracht van gemeenschap en liefde.”

Rothbard gaat gedetailleerd in op het schrikbewind dat volgde onder aanvoering van hun leider Jan Bockelson:

“Bockelson verzekerde zijn onderdanen dat hij en zijn hofhouding slechts de voorhoede van de nieuwe orde vormden; binnenkort zouden ook zij in dezelfde weelde kunnen baden. Vanuit hun nieuwe orde zouden de inwoners van Münster zich verspreiden en gewapend met Gods wil de gehele wereld veroveren en de onrechtvaardigen uitroeien, waarna Jezus zou terugkeren en ze allemaal zouden leven in luxe en volmaaktheid. Communisme met grote luxe voor iedereen zou dan worden bereikt.

Naarmate de verschillen van inzicht toenamen, nam uiteraard ook de terreur toe en koning Bockelson’s bewind van “liefde” intensiveerde haar intimidaties en slachtpartijen. Zodra hij de monarchie uit riep, kondigde de profeet Dusentschur een nieuwe goddelijke openbaring aan: een ieder die volhardde in het oneens zijn met of het ongehoorzaam zijn aan koning Bockelson zou ter dood gebracht worden en hun herinnering zou worden uitgewist”.

De nog verder gaande seculiere versie van het communisme, die later zou leiden tot de dood van miljoenen mensen, zou al snel in de voetsporen van het Messiaanse communisme treden – door verder te gaan op het reeds eerder ingeslagen donkere pad.

In werkelijkheid speelt het collectivisme echter geen rol in de scheppingsverslagen – en in plaats van het scheppen van een gemeenschap, schiep God eerst een individu. Door het scheppen van deze persoon, begon Hij met het instellen van het meest primaire beginsel van het menselijk bestaan:

“Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis”

De implicaties van dit scheppingsgebod mogen niet verdoezeld worden. Het is niet hoogmoedig om de liefde, de waarde en de eer die God ons heeft gegeven als een geschenk te aanvaarden. Volgens deze scheppingswoorden is elk persoon een afspiegeling van God, hoewel met beperkingen – een eeuwig wezen met bewustzijn, van gelijke vorm en kenmerken, in staat om te creëren, om zich zaken voor te stellen, vooruit te denken, te hopen, te geloven, en als grootste van alles – God is immers liefde – om onze naaste lief te hebben als ons zelf.

Samen met deze gelijkenis met God, kwam het vermogen om met een vrije wil onafhankelijk   beslissingen te nemen: een niet te bevatten eigenschap die veel verder gaat dan het dierlijke instinct. In het aardse rijk is deze fantastische eigenschap uniek voor de mens en is direct gerelateerd aan een andere eigenschap die de mens geschonken is. Deze eigenschap wordt meestal vertaald met “heerschappij” – en betekent “over alles nauwgezet regeren, het hebben van de controlerende macht”.

En zo getuigt Genesis 1 van de mens, dat God ook gebood:

“… dat zij heerschappij hebben … over de gehele aarde”

Daarmee is ieder mens de verantwoordelijkheid en macht gegeven over alle dingen op aarde – zelfbestuur – met de impliciete uitzondering van andere mensen. Een ander woord voor deze heerschappij zou “soevereiniteit” zijn. We zijn dus vanaf het begin geschapen als volledig “soevereine individuen” met zelfbestuur over onze eigen zaken, op ons eigen gebied of deel van deze aarde. Onherroepelijke en onvoorwaardelijke aan ieder mens geschonken door de ultieme Soeverein, God.

Conclusie

Neem dit in overweging:

  • Elke analyse van menselijk gedrag, theologie, economie, openbare orde of welke andere levenssfeer dan ook, zal fundamenteel fout zijn … als het niet start vanuit de premisse dat elke mens persoonlijk van God de gave van heerschappij op aarde heeft ontvangen.
  • Elk begrip van de natuur van God – in de omgang met mensen en hun doen en laten op deze aarde – zal gebrekkig zijn, als het niet start vanuit de premisse dat God altijd en ten volle het beginsel van geschonken heerschappij zal handhaven – samen met de andere beginselen die bij de schepping zijn ingesteld, met inbegrip van het beginsel van overerving naar het nageslacht.

Door deze heerschappij uit te oefenen, heeft elk persoon de vrije keuze om samen te werken en overeenkomsten te sluiten met andere mensen – of met God. Dit vormt de basis waar de secundaire rechten van het huwelijk, gezinsleven, bezit, bedrijfsleven en kerk onafscheidelijk mee verbonden zijn.

Buiten deze beginselen, kan niemand met recht heerschappij over de ander uitoefenen, zonder inbreuk te doen op de oorspronkelijke scheppingsorde. Op kleine schaal, noemen we mensen die dit toch doen een “bemoeial”. Wanneer hetzelfde gedrag toe neemt in omvang en hoeveelheid dan noemen we het de “overheid”.

Het zijn van een bemoeial wordt in de Bijbel gerangschikt naast de misdrijven van moord en diefstal, omdat dergelijke overtredingen hand in hand gaan. Het is wellicht niet vaak te horen van de kansel, maar het staat duidelijk beschreven in 1 Petrus 4:15:

“… laat niemand van u lijden als een moordenaar of dief, of kwaaddoener, of als iemand die zich met de zaken van iemand anders bemoeit”

Het Verhaal van de Slaaf

“The Tale of the Slave”
“Het Verhaal van de Slaaf”
door Robert Nozick uit het boek “Anarchy, State, and Utopia”
vertaald naar het Nederlands door Leonard Marchal

Bekijk de volgende reeks van situaties, die we het Verhaal van de Slaaf zullen noemen, en beeld je in dat het over jou gaat.

slavery

1. Er is een slaaf die volledig overgeleverd is aan de grillen van zijn wrede meester. Hij wordt vaak wreed geslagen, in het holst van de nacht uit bed geroepen, enzovoort.

2. De meester is vriendelijker en slaat de slaaf alleen als deze de regels overtreedt (het niet behalen van het werkquotum, enzovoort). Hij geeft de slaaf wat vrije tijd.

3. De meester heeft een groep slaven en hij beslist hoe alles onder hen verdeeld wordt, daarbij houdt hij rekening met hun behoeften, verdiensten, enzovoort.

4. De meester staat zijn slaven vier dagen eigen tijd toe en verplicht hen om slechts drie dagen per week op zijn land te werken. De rest van de tijd is van hen zelf.

5. De meester staat zijn slaven toe om van zijn grondgebied af te gaan en in de stad te werken (of waar ze maar willen) voor loon. Hij vereist wel dat ze hem drie/zevende deel van hun loon af staan. Hij behoudt ook het recht voor om hen terug te roepen naar de plantage als een noodsituatie zijn gebied bedreigt; het recht om de hoeveelheid van drie/zevende deel die aan hem afgedragen moet worden te verhogen of te verlagen. Tevens heeft hij het recht om de slaven te verbieden om deel te nemen aan bepaalde gevaarlijke activiteiten die een bedreiging vormen voor zijn financieel rendement, zoals bijvoorbeeld bergbeklimmen en het roken van sigaretten.

6. De meester staat al zijn 10.000 slaven, behalve jou, toe om te stemmen. Gezamenlijke besluiten worden door allen genomen. Er is een open discussie, enzovoort, onder hen. Zij hebben de mogelijkheid om te bepalen waar het af te dragen loon voor ingezet wordt, welk percentage van jouw (en hun) loon afgedragen moet worden, welke activiteiten volgens de wet verboden zijn, enzovoort.

Laten we op dit punt in de reeks even pauzeren om de balans op te maken. Als de meester deze machtsoverdracht zodanig vastlegt dat deze niet ongedaan gemaakt kan worden dan is er een verandering van meester. Je hebt nu 10.000 meesters in plaats van slechts één; Eigenlijk heb je nu een 10.000-koppige meester. Wellicht zijn de 10.000 vriendelijker dan de welwillende meester in geval 2, ze zijn nog steeds je meester. Echter, nog meer kan worden gedaan. Een enkele vriendelijke meester (zoals in geval 2) zou zijn slaaf toe kunnen staan om hem rechtstreeks aan te spreken en te proberen om hem te beïnvloeden om een bepaalde beslissing te nemen. De 10.000-koppige meester kan dit ook toe staan.

7. Hoewel je nog steeds niet mag stemmen, heb je de mogelijkheid (en het recht gekregen) in discussie te gaan met de 10.000 meesters en kun je proberen om hen te overtuigen om diverse beleidsmaatregelen te nemen en om jou en henzelf op een bepaalde manier te behandelen. Vervolgens vertrekken ze om te stemmen en te beslissen over beleidsmaatregelen die betrekking hebben op een enorme waaier van bevoegdheden.

8. Als waardering voor je nuttige bijdrage aan de discussie staan de 10.000 je toe om je stem uit te brengen als de stemmen staken; zij verplichten zichzelf tot deze procedure. Na de discussie schrijf je je stem op een stukje papier, en zij vertrekken om te gaan stemmen. In het geval dat de stemmen staken en de meningen verdeeld zijn over één of andere kwestie, 5000 voor en 5000 tegen, dan kijken ze naar uw stem en tellen deze mee. Dit is nog nooit gebeurd; nooit heeft zich de gelegenheid voor gedaan om jouw stembiljet te openen. (Een enkele meester zou zich ook kunnen verplichten om zijn slaaf te laten besluiten over een kwestie, waarbij het hem helemaal niet uit maakt welk besluit genomen wordt.)

9. Je mag met de 10.000 mee stemmen. Als de stemmen staken dan maakt uw stem het verschil. Zo niet dan maakt uw stem geen verschil voor de uitkomst.

De vraag: Welke overgang van situatie 1 tot situatie 9 maakt het niet langer “Het Verhaal van de Slaaf”?